ik ben gestoken door een tijgerwesp
Eerst had ik jeuk. Toen kwam er een ei op. En de ochtend erop was de hele voet opgezwollen en kon ik er alleen nog maar aanstellerig mee slepen.
Eerst vond ik het interessant (kijk, daar heb je de vrouw met de slepende voet, wie is zij, wat is haar achtergrond), maar later, toen vond ik het griezelig. Want als ik de zaak zo eens nuchter bekeek, leek het mij een kwestie van tijd voordat ik bijv. dood zou neervallen.
Dus ik ging naar de dokter.
“Hoe laat is uw afspraak”, zei ik tegen de man in de wachtkamer.
“Ik ben doof”, zei de man.
“Dat is vervelend voor u, maar hoe laat is uw afspraak”, zei ik.
De man haalde zijn schouders op.
Damn, hij mocht eerst. Door de muur heen kon ik horen wat er in de spreekkamer gebeurde. Het klonk alsof de dove man ergens op werd getakeld. Het leek me wat overdreven. Maar misschien werden alleen zijn oren getakeld, bedacht ik. Daarna ging de deur open.
“Kijk! Het! Nog! Een! Paar! Dagen! Aan!”, riep de dokter in de gang.
De dove man schuifelde voorbij. Zijn oren stonden droevig.
Toen mocht ik.
“Dat is een aardig dikke voet”, zei de dokter.
“Bedankt, ik ben denk ik gestoken door een tijgerwesp”, zei ik.
“Een... tijgerwesp?”, zei de dokter.
“Ja?”, zei ik en ineens vroeg ik me af of tijgerwespen wel bestaan of dat ik dat zelf verzonnen had in de episode dat ik nog grapjes kon maken over mijn zwelvoet.
“Het zwelt en het zwelt!!!”, zei ik om de dokter af te leiden.
“Kijk het een paar dagen aan”, zei de dokter.
“Heb ik al gedaan”, riep ik triomfantelijk.
“Kijk het dan nóg maar een paar dagen aan”, zei de dokter.
Ik dacht: dat zeg je toch niet tegen iemand van wie de voet er elk moment af kan vallen! Maar ik zei: “Ja, dat is goed”. Verslagen sleepte ik me door de gang.
Bij de bushalte stond de dove man.
“Ik moet het óók nog even een paar dagen aan kijken”, zei ik.
“Ik ben doof”, zei de man.
“Jaja, dat is óók erg, maar het ging nu even over mijn voet hè”, zei ik.
En ik schudde mijn hoofd. Sommige mensen zijn echt zó met zichzelf bezig.
Eerst vond ik het interessant (kijk, daar heb je de vrouw met de slepende voet, wie is zij, wat is haar achtergrond), maar later, toen vond ik het griezelig. Want als ik de zaak zo eens nuchter bekeek, leek het mij een kwestie van tijd voordat ik bijv. dood zou neervallen.
Dus ik ging naar de dokter.
“Hoe laat is uw afspraak”, zei ik tegen de man in de wachtkamer.
“Ik ben doof”, zei de man.
“Dat is vervelend voor u, maar hoe laat is uw afspraak”, zei ik.
De man haalde zijn schouders op.
Damn, hij mocht eerst. Door de muur heen kon ik horen wat er in de spreekkamer gebeurde. Het klonk alsof de dove man ergens op werd getakeld. Het leek me wat overdreven. Maar misschien werden alleen zijn oren getakeld, bedacht ik. Daarna ging de deur open.
“Kijk! Het! Nog! Een! Paar! Dagen! Aan!”, riep de dokter in de gang.
De dove man schuifelde voorbij. Zijn oren stonden droevig.
Toen mocht ik.
“Dat is een aardig dikke voet”, zei de dokter.
“Bedankt, ik ben denk ik gestoken door een tijgerwesp”, zei ik.
“Een... tijgerwesp?”, zei de dokter.
“Ja?”, zei ik en ineens vroeg ik me af of tijgerwespen wel bestaan of dat ik dat zelf verzonnen had in de episode dat ik nog grapjes kon maken over mijn zwelvoet.
“Het zwelt en het zwelt!!!”, zei ik om de dokter af te leiden.
“Kijk het een paar dagen aan”, zei de dokter.
“Heb ik al gedaan”, riep ik triomfantelijk.
“Kijk het dan nóg maar een paar dagen aan”, zei de dokter.
Ik dacht: dat zeg je toch niet tegen iemand van wie de voet er elk moment af kan vallen! Maar ik zei: “Ja, dat is goed”. Verslagen sleepte ik me door de gang.
Bij de bushalte stond de dove man.
“Ik moet het óók nog even een paar dagen aan kijken”, zei ik.
“Ik ben doof”, zei de man.
“Jaja, dat is óók erg, maar het ging nu even over mijn voet hè”, zei ik.
En ik schudde mijn hoofd. Sommige mensen zijn echt zó met zichzelf bezig.