ik wil best in quarantaine
Met een eersteklaskaartje koop je een stukje rust en vrede. Voor veel geld. Dus het gevoel dat je overvalt als blijkt dat de eerste klas bomvol zit - dat gevoel is woede. Pure, gerechtvaardigde woede.
Ten einde raad wrong ik mij in een werkcoupé. Niemand werkte. Links van mij zaten twee jongens patat te eten. Het stonk. En volgens mij waren ze niet eens eersteklasgerechtigd. Ik kreeg zin om ze bij de conducteur te verlinken, want aan mij is best een goeie nsb'er verloren gegaan. Maar goed, dan moest ik opstaan. Aan het raam staarde een belezen man getergd naar buiten. Hij had wenkbrauwen waarvan sommige haren óver zijn brillenglazen heen krulden. Het kon niet anders of het moest hem het zicht enorm beletten. Ik had zin om ze er even keihard af te rukken want als je het hard doet, doet het het minste zeer. Als je de afgerukte wenkbrauwharen dan zou verzamelen, zouden zeker twee hamsters er een holletje van kunnen maken, dacht ik. Ik weet niet waarom ik ineens aan hamsters moest denken, ik denk normaal nooit aan hamsters.
De deur schoof open. Een stokoude vrouw maakte zich op om de coupé te betreden. De belezen man en ik wisselden een hoogopgeleide blik van verstandhouding, zo van: djiezus komt die TRUT er ook nog eens even bij, KUTZOOI!! Ik zette me schrap. Waarschijnlijk zou de oude vrouw net tijdens een wissel op mijn schoot belanden, want dat doen ze altijd. Het beste wat je kunt doen, is zo'n oude vrouw met je eigen particuliere superkracht van je af lanceren. Meestal landen ze dan op de stoel tegenover je, soms ook niet maar onder ons gezegd en gezwegen: dat ligt natuurlijk óók aan het richtingsgevoel van de gelanceerde oude vrouw.
De oude vrouw helde over naar mij, ik gaf haar een duw en ze viel op de stoel tegenover mij. Direct begon ze te hoesten. Ze hoestte in haar hand en niet, zoals ons allen van overheidswege is opgedragen, in haar elleboog. Een bacil zweefde relaxt mijn kant op. Ik dacht aan de Mexicaanse griep en dat die mij nu elk moment kon gaan treffen. Ik zou in quarantaine moeten - en terwijl ik probeerde elk fysiek contact met de oude vrouw, de patatjongens en de wenkbrauwen van de belezen man te vermijden, leek mij dat dus ineens best een prettig iets.
Ten einde raad wrong ik mij in een werkcoupé. Niemand werkte. Links van mij zaten twee jongens patat te eten. Het stonk. En volgens mij waren ze niet eens eersteklasgerechtigd. Ik kreeg zin om ze bij de conducteur te verlinken, want aan mij is best een goeie nsb'er verloren gegaan. Maar goed, dan moest ik opstaan. Aan het raam staarde een belezen man getergd naar buiten. Hij had wenkbrauwen waarvan sommige haren óver zijn brillenglazen heen krulden. Het kon niet anders of het moest hem het zicht enorm beletten. Ik had zin om ze er even keihard af te rukken want als je het hard doet, doet het het minste zeer. Als je de afgerukte wenkbrauwharen dan zou verzamelen, zouden zeker twee hamsters er een holletje van kunnen maken, dacht ik. Ik weet niet waarom ik ineens aan hamsters moest denken, ik denk normaal nooit aan hamsters.
De deur schoof open. Een stokoude vrouw maakte zich op om de coupé te betreden. De belezen man en ik wisselden een hoogopgeleide blik van verstandhouding, zo van: djiezus komt die TRUT er ook nog eens even bij, KUTZOOI!! Ik zette me schrap. Waarschijnlijk zou de oude vrouw net tijdens een wissel op mijn schoot belanden, want dat doen ze altijd. Het beste wat je kunt doen, is zo'n oude vrouw met je eigen particuliere superkracht van je af lanceren. Meestal landen ze dan op de stoel tegenover je, soms ook niet maar onder ons gezegd en gezwegen: dat ligt natuurlijk óók aan het richtingsgevoel van de gelanceerde oude vrouw.
De oude vrouw helde over naar mij, ik gaf haar een duw en ze viel op de stoel tegenover mij. Direct begon ze te hoesten. Ze hoestte in haar hand en niet, zoals ons allen van overheidswege is opgedragen, in haar elleboog. Een bacil zweefde relaxt mijn kant op. Ik dacht aan de Mexicaanse griep en dat die mij nu elk moment kon gaan treffen. Ik zou in quarantaine moeten - en terwijl ik probeerde elk fysiek contact met de oude vrouw, de patatjongens en de wenkbrauwen van de belezen man te vermijden, leek mij dat dus ineens best een prettig iets.