in je eentje op de waterbanaan
Dat je net je buik insmeert en dan wil je ineens op je buik liggen. En dat je daar dan de hele dag chagrijnig over blijft. Maar er waren ook mooie dingen. Bijvoorbeeld de wijze simpelheid van de hardwerkende dorpsbevolking in de stille dorpjes waar je nooit iemand tegenkwam maar dat komt: men houdt daar siësta. Daar kon je nog wat van leren! Ook van die siësta ja, maar vooral van die wijze simpelheid. Maar goed, als ze zich niet lieten zien dan hield het op, hè.
Dat was dag drie. Ergens was ik dus ontzettend toe aan een diepzinnig gesprek met een wijze tandeloze autochtone visserman. Zo’n ontmoeting die je je hele leven zou bijblijven en waarover je nog verjaardagen lang integer kon opscheppen. Ik wist ook al ongeveer hoe het zou gaan. Ik zou op een ochtend door de branding lopen, op zoek naar schelpen en mezelf. En daar was hij dan ineens, terwijl hij zijn autochtone vissersboot op het strand trok. Hij zou mij correct groeten, ik zou als een oervrouw glimlachen en wat dralen.
Dan zou hij in onverstaanbaar maar charmant Egels iets zeggen. Het zou iets zijn in de trant van ‘There are so many fishes in the ocean’, of iets anders heel dieps. Ik zou het niet verstaan maar wel begrijpen. Ik zou ontroerd zijn hand grijpen. En dan zou ik linea recta naar huis varen om kinderen te baren. Of heel ander werk gaan doen, voor niks en de maatschappij. Enkel nog hartelijkheid uitstralen naar mijn medemens. Ik noem maar wat. In ieder geval zou ik gaan doen waarvoor ik voorbestemd was. De autochtone visserman zou de hand opsteken om me vaarwel te wensen. Ik zou iets roepen van bedankt hè, maar dan in zijn taal. Zijn verweerde gezicht zou opensplijten in een allesverterende nee zijn doorgroefde gelaat zou vertrekken tot een wetende glimlach. Zijn pokdalige tronie nee nu ophouden.
Enfin, ik had alles al rond. Ik moest hem alleen nog even tegenkomen, de visserman. Ik tuurde mijn ogen er bijna uit. Maar er verscheen maar niets aan de horizon. Wel kliefde er de ganse dag een waterbanaan door het water. Dan klom je met zijn zessen achter mekaar op een enorme gele plastic banaan en dan ging je keihard. Op dag zes zag ik dat er iemand in zijn eentje op zat. Het zag er niet uit. En het deed me gewoon pijn aan mijn hart. Wat was dat voor een mens die in zijn eentje op de waterbanaan wilde? Waren ze met zeven vrienden en had hij zojuist niet mee gemogen? Was het een uitgescheurde moeder van drie peuters, die alleen op deze manier kon ontsnappen? Uiteindelijk bleek het een lange dunne man met een wit gewaad en een baard te zijn die dacht dat hij Jezus was. De werkelijkheid is altijd erger.
Op dag negen kwam ik eindelijk een autochtone visserman tegen. Maar die zat de hele dag zijn netten te boeten. Waarschijnlijk de avond ervoor niet netjes opgevouwen want zo gaat dat met die autochtonen. En daar moest hij dan dus nu voor boeten. Nee, het leek me gewoon niet echt het type voor diepe levenswijsheden. Bovendien was hij me net iets te pokdalig. Op een keer liep ik hem met afgewend hoofd voorbij. Ik hoorde hem iets slissen. Traag draaide ik me om. ‘You go banana!’, wees de visserman vrolijk. Even twijfelde ik. Ik in mijn eentje op die banaan, op de oceaan van het leven. Het hád wel iets dieps.
Toen blies ik mijn adem uit. Er kwam vast nog wel een normále tandeloze autochtone visserman voorbij. Ik smeerde mijn rug in. En toen wou ik erop liggen.
Dat was dag drie. Ergens was ik dus ontzettend toe aan een diepzinnig gesprek met een wijze tandeloze autochtone visserman. Zo’n ontmoeting die je je hele leven zou bijblijven en waarover je nog verjaardagen lang integer kon opscheppen. Ik wist ook al ongeveer hoe het zou gaan. Ik zou op een ochtend door de branding lopen, op zoek naar schelpen en mezelf. En daar was hij dan ineens, terwijl hij zijn autochtone vissersboot op het strand trok. Hij zou mij correct groeten, ik zou als een oervrouw glimlachen en wat dralen.
Dan zou hij in onverstaanbaar maar charmant Egels iets zeggen. Het zou iets zijn in de trant van ‘There are so many fishes in the ocean’, of iets anders heel dieps. Ik zou het niet verstaan maar wel begrijpen. Ik zou ontroerd zijn hand grijpen. En dan zou ik linea recta naar huis varen om kinderen te baren. Of heel ander werk gaan doen, voor niks en de maatschappij. Enkel nog hartelijkheid uitstralen naar mijn medemens. Ik noem maar wat. In ieder geval zou ik gaan doen waarvoor ik voorbestemd was. De autochtone visserman zou de hand opsteken om me vaarwel te wensen. Ik zou iets roepen van bedankt hè, maar dan in zijn taal. Zijn verweerde gezicht zou opensplijten in een allesverterende nee zijn doorgroefde gelaat zou vertrekken tot een wetende glimlach. Zijn pokdalige tronie nee nu ophouden.
Enfin, ik had alles al rond. Ik moest hem alleen nog even tegenkomen, de visserman. Ik tuurde mijn ogen er bijna uit. Maar er verscheen maar niets aan de horizon. Wel kliefde er de ganse dag een waterbanaan door het water. Dan klom je met zijn zessen achter mekaar op een enorme gele plastic banaan en dan ging je keihard. Op dag zes zag ik dat er iemand in zijn eentje op zat. Het zag er niet uit. En het deed me gewoon pijn aan mijn hart. Wat was dat voor een mens die in zijn eentje op de waterbanaan wilde? Waren ze met zeven vrienden en had hij zojuist niet mee gemogen? Was het een uitgescheurde moeder van drie peuters, die alleen op deze manier kon ontsnappen? Uiteindelijk bleek het een lange dunne man met een wit gewaad en een baard te zijn die dacht dat hij Jezus was. De werkelijkheid is altijd erger.
Op dag negen kwam ik eindelijk een autochtone visserman tegen. Maar die zat de hele dag zijn netten te boeten. Waarschijnlijk de avond ervoor niet netjes opgevouwen want zo gaat dat met die autochtonen. En daar moest hij dan dus nu voor boeten. Nee, het leek me gewoon niet echt het type voor diepe levenswijsheden. Bovendien was hij me net iets te pokdalig. Op een keer liep ik hem met afgewend hoofd voorbij. Ik hoorde hem iets slissen. Traag draaide ik me om. ‘You go banana!’, wees de visserman vrolijk. Even twijfelde ik. Ik in mijn eentje op die banaan, op de oceaan van het leven. Het hád wel iets dieps.
Toen blies ik mijn adem uit. Er kwam vast nog wel een normále tandeloze autochtone visserman voorbij. Ik smeerde mijn rug in. En toen wou ik erop liggen.