de metro-columns | jacq. veldman





22 augustus 2003

mannen verdwalen niet!

Het hotel oogt nogal onooglijk. Maar dan blijkt dat wij De Kamer hebben. Of, beter gezegd: Het Balkon, ons eigen uitkijkpunt dat elf meter lang is en pal boven het water hangt. Dat zouden wij dus ook het liefst de hele dag willen gaan doen: een beetje boven het water hangen. Hand in hand of zo. En zo nu en dan ingehouden zwaaien naar een stille schipper die ingehouden terugzwaait.

Maar straks vragen de mensen wat wij dit weekend allemaal hebben gedaan. We verlaten daarom subiet ons balkon. We zoeken de heide en meer exact het uitkijkpunt bovenop de heide. Daar kun je niet met de auto komen, leren wij. Een uitkijkpunt is namelijk bedoeld als beloning voor een stukje sportieve inspanning naar jezelf toe. Er is ook een meevaller: we vinden een bordje 'heide'. Maar direct daarna is er weer een tegenvaller: wij verdwalen in een bos. En dan ontspint zich een eeuwenoude dialoog.

‘Oh jee, we zijn verdwaald!!!’
‘Nee hoor, we moeten hier linksaf en dan hupsakee rondom daaro ginds bij die boom.’

Eenmaal daaro ginds bij die boom kan hij het ook niet meer ontkennen. Maar dat doet hij wel. Een man eet namelijk nog liever de boom in kwestie op dan dat hij het V-woord in de mond zal nemen. Verdwalen is dan ook een kwestie van hoe je er tegenaan kijkt. En als je een man bent, kijk je er altijd op een hele aparte ( of zoals ze in sosjale sektor zeggen: niet betere, niet slechtere, maar Andere) manier tegenaan. Mannen verdwalen niet, mannen nemen gewoon een andere route. Mannen zijn de weg niet kwijt maar juist bezig om een veel betere te vinden! Het is nog niet eens dat mannen de weg niet kunnen vragen. Mannen zouden in theorie best de weg kunnen vragen. Maar in de praktijk sterven zij dan een klein beetje van binnen. Waar vrouwen alláng op een hoog gelegen punt ‘oewai!’ hadden willen zwaaien om hulp, verbieden mannen dit hun vrouwen en gaan verbeten door. Desnoods tot zij er bij neervallen. Het is daarom maar goed dat er vaak vrouwen (of honden) met hen meewandelen. Anders zou men immers overal mannen langs de kant van de weg zien liggen!

Ondertussen zijn wij nog steeds verdwaald, hoewel ik het woord niet meer hardop durf te gebruiken. Volgens mij zijn we zelfs in een ander bos beland. In elk geval zie ik door de bomen het bos niet meer. Die grap slik ik net op tijd in. Hij kijkt wanhopig maar optimistisch. Ik zwijg, want zo doen vrouwen dan weer. En na tien minuten veelbetekenend zuchten en nepzwikken, zeg ik dat ik het hem vergeef. Hij knipoogt. Of is het een zenuwtrek? Hoe dan ook: man en vrouw sluiten vrede. Dat is meestal ook maar het beste. Dan kun je tenminste de handen ineenslaan en samen het pad der liefde bewandelen. Ook met blaren.

Vanuit het niets doemt de auto op. Hij roept: ‘Ah, zie je nou wel!’. Ik doe het enige dat mij als vrouw nog rest: verontwaardigd plaatsnemen in het rijtuig en me terug laten brengen naar de bewoonde wereld. En dan zitten wij weer in ons hotel, waar we het uitkijkpunt op de tast kunnen vinden en waar wij so wie so het liefst hadden willen blijven hangen vandaag. Kijk, daar zwaaien we alweer naar een stille schipper. Die ons overigens verrekte bekend voorkomt! Voer die hier een kwartier geleden niet reeds, maar dan de andere kant op?! ‘Schipper, bent u soms verdwaald?’ roep ik. De schipper zwijgt verbeten. Hij kijkt wanhopig, maar optimistisch. Dan zwaait hij toch terug. Maar ingehouden, héél ingehouden.