22 augustus 2003

winkelmeisjes zijn nare meisjes

'Ik ben namelijk gestopt met roken’, zei ik vertrouwelijk tegen het winkelmeisje. Ik weet zelf ook niet wat ik verwachtte. Maar meestal als ik het zeg van het Gestopt Zijn, verwacht ik op zijn minst íets. Een orkest dat ineens uit de lucht komt vallen, of zo. Of dat alle winkelmeisjes én de klanten een haag zouden vormden en zouden applaudisseren terwijl ik dan door die haag liep. Ik zou trots kijken. Maar toch ook nederig, zodat niemand aanstoot aan me zou nemen. Het gejuich zou aanzwellen. Lachend zou ik roepen: ‘Hoho, nu is het wel genoeg!’

Ik keek naar omhoog. Niks, qua orkest. Niet eens een gitaartrio of zo. Het winkelmeisje had zich omgedraaid.
‘Ik heb dus namelijk vijftien jaar gerookt!’, riep ik.
Het winkelmeisje keek verstoord achterom.
‘Vijf! Tien! Jaar!’
Het winkelmeisje keek mij raar aan. In een flits besefte ik hoe. Het winkelmeisje keek naar mij alsof ik een bejaarde met oorlogswond was. Of een zwerfhond, maar dan geen vertederende.

Winkelmeisjes zijn nare meisjes. Dat was vroeger wel anders. Vroeger waren winkelmeisjes kittige dingen die je erdoorheen sleepten als je nieuwe kleren moest. Die je hielpen met wat vóór moest en wat achter. En die opbeurende dingen zeiden, zoals ‘inderdaad, dat merk valt gewoon absurd klein’. Ook al was het dan niet zo. En vroeger kon je alle achttien niet passende kledingstukken gewoon in de bereidwillige armen van het winkelmeisje duwen. Desnoods gooide je ze zo vanuit het pashokje in de richting waarvan je dacht dat het winkelmeisje zou staan. Dat mocht, hoor! Want kleren zelf terug moeten doen op de kleerhangertjes, dát was er toen gelukkig nog niet bij!

Maar eigenlijk ging het nog veel verder. Vroeger waren winkelmeisjes een luisterend oor. Als er dan dingen waren waarmee je niet (meer) bij je vrienden terechtkon, ging je gewoon een middagje winkelen. Je kon de meeste winkelmeisjes gerust je vakantiefoto’s laten zien. Je kon ze uitgebreid vertellen over wat er allemaal mis kan gaan als je een rolgordijn zelf op maat moest maken. Als je een probleem had met je nieuwe vriend – hup, gewoon even met een winkelmeisje over hebben en je was het kwijt, hoor. Of als je bijvoorbeeld (ik noem maar wat) gestopt was met roken, dan kon je even fijn uithuilen. En je kreeg een hoop herkenning. Winkelmeisjes mochten immers ook niet roken. In de winkel dan, hè.

Tegenwoordig luisteren winkelmeisjes nog steeds wel, hoor. Maar dan uitsluitend naar elkaar. Dat is dus eigenlijk best wel jammer. Ik keek een beetje verdrietig om me heen. En toen sloeg mijn stemming om. Dat heb ik wel vaker sinds ik gestopt ben met roken. Ik kreeg ineens een ontzettende zin om een partijtje te gaan schelden. En sinds ik gestopt ben met roken, moet ik heel erg mijn gevoel volgen, ik heb geen keuze. Dus ik ging voor het winkelmeisje staan en zei: ‘Ik voel een soort van innerlijke blokkade naar jou toe’.

Ik had gehoopt dat er zou worden geapplaudisseerd door andere klanten. En dan weer een haag van mensen, maar nu zónder winkelmeisjes. Maar vreemd genoeg werd het juist heel stil. Dat had ook wel weer iets moois, trouwens. Het winkelmeisje keek mij vreemd aan. In een flits besefte ik hoe. Het winkelmeisje keek me aan alsof ik iemand was waarvoor je de bewaking moest gaan bellen. Dat was nog erger dan een bejaarde met oorlogswond. En daarom dacht ik: ik probeer het gewoon nog een keer.

‘Ik ben dus namelijk gestopt met roken’, zei ik.
‘Geweldig!, riep het winkelmeisje angstig.
Ik dacht dat ik haar tanden hoorde knarsen.
Maar ze was dus wel ineens een luisterend oor.