16 september 2003

the eye of the tiger, maar dan door een orgel

Alles verandert. Behalve bij de Chinees. Bij de Chinees is het al jarenlang om en nabij 1978. Dat is ook wel eens incidenteel fijn, zoiets! Als het in je leven allemaal net een stukje te snel gaat, bijvoorbeeld. Of gewoon, als je een beetje in de war bent.

Enfin, het was dinsdagavond en daar zat ik weer. De ontvangstchinees had vaagjes gewapperd in een onduidelijke richting. We mochten overal gaan zitten, want dat maakt de Chinezen over het algemeen geen barst uit. Als je maar niet in de keuken gaat zitten, want zelfs voor Chinezen zijn er grenzen.

Het was halfdonker maar dat komt: het is altijd halfdonker in Chinese restaurants. Chinezen wil hiermee een bepaalde sfeer creëren. Zij weten alleen niet goed welke. In elk geval krijg je als klant de indruk dat er zaken geschieden die het daglicht niet kunnen verdragen. Dan is het dus maar goed dat het zo schemerig is! Om nog eens helder te laten zien hoe donker het was, viel ik door een verguld stuk triplex heen. Kon me gelukkig nog net aan een plastic draak vastgrijpen. Ik keek veelbetekenend om. Geen Chinees te bekennen. Van heel ver klonk een gedempt hoog gekrijs. Iemand in de keuken kreeg op zijn donder. Het was alsof er een regisseur had gezegd: en nu krijsen alsof je een Chinees nadoet. Ik probeerde het gesprek aan de tafel achter mij te volgen.

‘Maar wat is het nou?, vroeg de Moeder.
‘Dat is tjap tjoi, Moeder’, zei de zoon.
‘Oh ja sjapsjoi’, zei de Moeder.
‘Dat betekent tien groenten’ zei de zoon.
‘Nou ja, wie zal het zeggen’, zei de Moeder.
‘Ja echt’, zei de zoon.
‘Er zitten er heus geen tien in’, zei de Moeder.

Het gesprek viel stil. Er speelde een vreemd instrumentaal muziekje. Snobs zouden dat muzak noemen. Wij kregen we een aanval van dwangmatigheid: we moesten en zouden weten welk nummer dit was. We wuifden snobistisch de bestelchinees weer weg, met de ogen geconcentreerd gesloten. ‘Ach, het is Fransje Bauer’, zei ik vertederd. Maar mijn vriend zei van nee. Ik ging onderuit hangen en maakte mijn hoofd leeg.

‘Hoe lang is een chinees?’, doorbrak de zoon een stilte.
‘Geen idee, hoezo dat dan?, zei de Moeder
‘Hoe lang, snap je wel, dat klinkt als een Chinese naam’, zei de zoon
‘Ja maar Gerard, niet elke Chinees is even lang toch’, zei de Moeder.
‘Nee Moeder, daar heb jij weer gelijk in’, zei de zoon.

Ik dacht dat ik het wist. ‘Het is Dennie Christian!’, riep ik. Mijn vriend schudde van nee. Nou ja, had gekund. Dennie Christian waren we ten slotte al vaak tegengekomen bij diverse Chinese restaurants in het land. In hoogsteigen persoon dan. Dennie houdt van Chinees. Vice versa maakt Dennie de Chinezen geen barst uit. Nasi is nasi.

‘Maar we hadden ook gewoon bij jullie kunnen eten’, mokte de Moeder.
‘Joke heeft niet altijd tijd om te koken’ zei de zoon snel.
‘Haha, dat rijmt’, lachte de zoon er nerveus achteraan.
‘Maar het klopt niet’, zei de Moeder grimmig.

Eindelijk wisten we het. The eye of the tiger, maar dan door een orgel. Dat is rot hoor, wat dat met zo’n vlot liedje doet, een orgel. Aan de tafel achter me kreeg iemand een hoestbui. Ik draaide me om. De Moeder liep paars aan. De zoon leunde achterover met iets gretigs in zijn blik. Ik glimlachte bemoedigend. Kom je altijd mee weg, met een bemoedigende glimlach. Gedempt hoorde ik vijf kookchinezen het uitgieren in de keuken. Bijna dood-ervaringen door taugé, dat interesseert de Chinezen geen barst, hè.

De Moeder kreeg weer lucht en een tweede kans in dit leven. De zoon keek gelaten; de Moeder verongelijkt. Dat komt: bij de Chinees verandert nooit iets.