De televisieschermpjes floepten aan. ‘Vliegen is een van de meest veilige manieren om te reizen’, zei de directeur van de vliegtuigmaatschappij. Direct daarna hoorden we wat te doen als het vliegtuig onverhoopt in zee mocht storten.
Verder leerden we hoe te handelen als de zuurstof wegviel, hoe we op de glijbaan moesten springen en dat we alvast even moesten checken waar de dichtstbijzijnde nooduitgang was. ‘Vliegen is een van de meest veilige manieren om te reizen’, besloot de directeur van de vliegtuigmaatschappij zijn verhaal creatief. Hij zag er vertrouwenwekkend uit. Ik wilde best met hem trouwen. Ik wilde alles wel doen. Als ik maar uit dit vliegtuig mocht.
De donkerharige stewardess zat mij het meest dwars. De donkerharige stewardess was een prachtige jonge vrouw met wat ze vroeger een edel gezicht zouden hebben genoemd. Type de jonge Audrey Hepburn. Koel maar met iets smartelijks in de gezichtstrekken. Het donkere haar strak naar achter getrokken in een simpele wrong. Een mooie rechte Griekse neus. Een vriendelijk woord voor elke passagier. En toch: ondoorgrondelijk. Zouden we haar diepste gedachten ooit kennen? Nee. Ja, de donkerharige stewardess zat mij het meest dwars. De donkerharige stewardess zag er namelijk uit alsof er ooit nog eens een film over haar leven zou worden gemaakt. Wegens getoonde heldenmoed in het kader van haar professie. En dat ik dan in die film zou sterven. Hier en nu, in de komende drieënhalf uur van mijn leven.
Wat doet een mens in tijden van angst? Ik begon een rielekste conversatie met mijn vriend. ‘Wawawawawa’, zei ik onder andere. Denk je dat je jezelf niet veel banger kunt krijgen, is er ineens turbulentie. Ik wierp me tegen mijn vriend aan. Ik greep hem vast alsof ik hem nooit meer los wilde laten. Ik kroop onder zijn shirt. Ik was aanhankelijker dan ooit. Eerst vond mijn vriend dit best leuk. Later vond hij dit niet meer zo leuk. Maar dat was verder niet zo relevant. Ik bekeek mijn vriend met andere ogen. Het waren de ogen v/e krankzinnige maar dat zeg ik achteraf. Op dat moment wou ik best met hem trouwen. Graag zelfs. Als ik maar uit dit vliegtuig mocht. Mijn vriend was niet zo gemeen dat hij gebruik maakte van de ontstane situatie. Wel zei hij op een gegeven moment: ‘Reken maar dat die stewardessen op het moment ook de zenuwen hebben, hoor’. Ik keek mijn vriend ademloos aan. Eikel, zei ik met mijn ogen. Oeps, sorry, lachte mijn vriend vrolijk. Hij vond het leven leuk. Maar het leven was helemaal niet leuk.
Ik bekeek mijn vriend met andere ogen. Waarom was hij zo oppervlakkig? Ik wilde alsnog een stukje gaan schreeuwen, met veel schelden erin en zo. Maar toen kwam de donkerharige stewardess voorbijlopen. Ik glimlachte kranig. Het leek me namelijk niet erg handig als de donkerharige stewardess straks kon navertellen hoe raar hysterisch die ene blonde vrouw had gedaan. En zelfs al vóórdat de motoren in brand waren gevlogen! Ik zou de (dode) risée van de film over het leven van de donkerharige stewardess worden. Ik zou in de aftiteling ‘laffe passagiere’ heten en gespeeld worden door een onsympathieke actrice waarvan niemand ooit gehoord had.
Het vliegtuig begon weer te schudden. Ik wierp me tegen mijn vriend aan. Net iets harder dan nodig was. Mijn vriend hapte naar adem. Zo zagen we er even precies hetzelfde uit: als vissen op het droge. Ik wilde best een vis zijn. Ik wilde zelfs wel een vis op het droge zijn voor de rest van mijn leven. Als ik maar uit dit vliegtuig mocht.
31 augustus 2003
'wawawawawa’, zei ik onder andere
26 augustus 2003
het hele universum draait om mij
Soms, dan ben ik bang dat ik per ongeluk brand sticht. Daarom giet ik tijdens het wandelen soms wel een heel flesje spa blauw leeg over mijn uitgetrapte peuk. En zelfs dán ben ik nog als de dood dat ik dezelfde avond in het 8 uur journaal Philip Freriks ga horen struikelen over een gruwelijke brasbond bosbrand op de eh Veluwse eh heide, waarbij duizend hectare antieke vogelbroedgrond tot in lengte der dagen onbruikbaar voor consumptie is geworden. Een vreselijk drama, en dat allemaal door die ene sigaret van mij!
Ik kan zo al bedenken hoe dat verder zal gaan. Dat ik mezelf verdacht maak door verward op de verbrande heide te worden gesignaleerd. En direct door de mand val omdat ik met een té erg trillende peuk in de mond de deur opendoe als de polities langskomen. ‘De betrokkenheid van een zekere Jacq. V. wordt niet uitgesloten’, hoor ik Henny Stoel in gedachten al ernstig zeggen. Dan word ik voor de vorm nog even verhoord met de Zaanse verhoormethode, beken alle onopgeloste branden sinds 1953 en beland in de gevangenis. Tussen keiharde criminelen die mij dagelijks tijdens het luchten in elkaar slaan (of Erger), omdat al snel het praatje de ronde doet dat ik die vieze vuile heidebrandstichter ben geweest.
En na zeven gruwelijke jaren sta ik dan, knipperend tegen het felle daglicht, buiten de poorten van de hel. Met een gebroken spirit, lege ogen en een strippenkaart. En met zonder streekvervoer in de buurt. Maar wél voorgoed van het roken af! Zo zie je maar: er zijn altijd lichtpuntjes. Als je er maar goed naar zoekt.
Ik haalde trots adem, vanwege het positieve einde, dat voor mijzelf ook nogal onverwacht was gekomen. De huisarts keek met links naar een punt in de verte en met rechts naar mij. Of hij was gewoon scheel. ‘Kijk Jacq’, zei de dokter, terwijl hij in zijn dossier terugbladerde. ‘Niet om van het onderwerp te geraken, maar het is nog niet zo heel lang geleden dat we het al eens over die mond- en klauwzeer hadden. Weet je nog dat we toen hebben uitgevonden dat die hele uitbraak echt niet kon zijn gekomen doordat jij een koortsblaar had en toen in het hertenkamp een klein hertje had gekust?’
Ik herinnerde het me nog. Ik was opnieuw opgelucht. Wat een rottijd was dat geweest! De dokter haalde diep adem. Hij had iets dieps bedacht om te zeggen, dat zag je zo. ‘Je moet het zo zien’, zei de dokter. ‘Sommige mensen denken dat ze het middelpunt van het universum zijn. Dat hun daden buitengewoon veel betekenis hebben. Dat alles om hén draait, zeg maar. Zo’n beetje als de zon om de maan, bijvoorbeeld. Of de aarde om de zon. Of hoe zat het ook alweer precies. Nou, sommige mensen zal het dus echt worst zijn hoe dat soort dingen precies zitten. Want die zijn echt alleen maar met zichzelf bezig.’
‘Maar maar maar’, begon ik sterk. Dat was meer een soort van automatisme. Ik zeg het wel vaker als er een man aan het woord is. Maar toen zweeg ik. Shit, die knakker had een punt met zijn universumverhaal. Het universum moest eens ophouden met om mij heen te draaien. Ik werd er goed gek van! Straks lag die hele vogelpest ook nog aan mij, je kon erop wachten. Ik opende mijn mond om daar alvast mijn beklag over te doen.
‘Gaan we weer hard aan het werk met onszelf?’, vroeg de dokter, terwijl hij zijn bril poetste.
Mijn mond maakte de v van vogelpest.
‘Mooi’, zei de dokter. ‘Dan zie ik je vanzelf wel weer en tot ziens hoor.’
25 augustus 2003
dokter Phil praat zichzelf aan elkaar
'Het Is Geven En Nemen In Een Relatie’, zei dokter Phil vorige week bij Yorin. Iedereen klapte. Echtparen knikten ernstig. Dokter Phil had gelijk. Het klonk zo simpel, maar je moest er maar op komen. En dokter Phil kwam erop.
Als je goed kijkt, dan zie je het vanzelf. Dokter Phil lijkt een klein beetje op een varkentje. Een best wel aantrekkelijk varkentje, als je tenminste van varkentjes houdt. En ook nog een varkentje dat goed uit zijn woorden kan komen! Maar ja, het blijft een varkentje. Met stopcontactneusgaten. Dat geeft natuurlijk niets. Nou ja, eerlijk gezegd geeft het wel, maar dokter Phil kan er zelf verder ook niks aan doen. Het is daarom maar het beste om dokter Phil te accepteren zoals hij is. Tenminste, dat zou dokter Phil er zelf van zeggen. Dokter Phil raadt de mensen meestal dingen aan die met you beginnen. You moet veranderen, en niet de wereld om you heen! You hebt de power om al dat gewicht te verliezen, als you maar genoeg van your zelf houdt! Het is dus eigenlijk allemaal very supersimpel!
Desalniettemin mocht dokter Phil een paar jaar bij Oprah oefenen in het analyzen van vermoeide echtparen. Dat was in de tijd dat Oprah nog wel eens incidenteel andere mensen dan zichzelf aan het woord liet. Heel kort dan. Als ze zelf toch net even moest inademen. ‘Tell it like it is, doctor Phil!’, riep Oprah dan joviaal. En dat deed dokter Phil dan. Dokter Phil was geen zachte heelmeester. Hij deed gewoon zijn stinkende best om jouw relatie een stukje happier te analyzen. Bob en Bethany (overspel) zaten er daarom bij voorbaat al een beetje bij te bibberen. Ze hadden zichzelf en hun zieke relatie dan wel uitgenodigd, maar toch het zweet in de oksels staan. Jamie en Jennifer (geldprobleem) waren er ook. Zij keken zo deemoedig als hun wederzijdse haat het toeliet. Het wachten was op dokter Phil. Die altijd precies zei wat-ie zag, zonder eromheen te draaien. Want dat was dokter Phil, hè.
Soms schrok er wel eens iemand van wat dokter Phil allemaal zei. Maar dat was dan bedoeld als doorbraak. Het mooist was het als er dan ook nog bij gehuild werd. Want dan was het zeker weten een doorbraak. En er waren ook mensen bij die niet zaten te wachten op een doorbraak. Dat waren de mensen die hadden gehoopt dat hun verrotte partner de schuld zou krijgen. Meestal hadden zij zich daarop zelfs al heel erg verheugd. Het was dan ook de enige reden dat ze de verrotte partner hadden meegetroond naar Oprah. En dan toch te horen krijgen dat you zélf moest veranderen!? Het liefst hadden deze teleurgestelde mensen dokter Phil een beetje in elkaar geslagen. Of minimaal iets rots geroepen. Maar je moest altijd een beetje uitkijken met iemand die kan analyzen. Voor je het weet zei dokter Phil iets waarvan je onverhoopt toch nog in tranen uitbarstte. En dan was het zo klunzig terugschelden, hè.
Waar Oprah ondertussen zat? Dikke kans dat die slaafs tissues uitreikte. Want in het licht van wonderdokter Phil verwerd de koningin van de onewomanshow tot een koket maar dommig zustertje. Een schaduw van zichzelf. En toen kreeg Oprah haar eigen personal doorbraak: dit kon zo niet langer! Het werd tijd dat die verrotte dokter Phil zijn eigen show kreeg. Aldus geschiedde. Sinds enige tijd praat dokter Phil zichzelf aan elkaar.
‘Maak Er Geen Competitie Van In Je Relatie’, zei dokter Phil gisteravond. Maar dan in sloom Amerikaans. Bob en Bethany klapten. Jamie en Jennifer knikten ernstig. Dokter Phil had gelijk. Het klonk zo simpel, maar je moest er maar op komen. En dokter Phil kwam erop.
24 augustus 2003
hup, die kloof in jij!
'De familie zelf vertroetelt en verzorgt u’, las mijn vriendin voor.
Dat deed de deur dicht. Waren we eindelijk volwassen genoeg om alleen op vakantie te gaan, kreeg je een Griekse paps en mams op je dak. Ik wist al precies hoe dat zou gaan.
‘Elena, we go to disco now bye bye!’
‘Nononono, you girls go sleep now, give me key!’
One down, drieënnegentig andere aanbiedingen te gaan. ‘Een vakantie uitzoeken is nog niet makkelijk’, doceerde ik. ‘Voor je het weet heb je een rotvakantie. Kom je thuis, kun je direct weer.’ Dat had ik helemaal niet hoeven zeggen. Allebei herinnerden wij ons nog het vakantietje van vorig jaar. Op een haar na misten we toen het appartement met uitzicht op zee. Konden we ook ergens klagen? Niet echt. Dus kloegen we niet, maar keken wel klagerig. Ik spuugde verbeten tegen onze blinde muur, als de mensen met uitzicht passeerden. Zwijgend at mijn vriendin van haar Griekse salade. Na een week hadden we ons lot geaccepteerd. Die dag werden we verkwikt wakker, vol goeie zin als het ware. Maar toen mochten we weer naar huis.
Dit jaar was er een ander probleem. We moesten natuurlijk de Kloof doen, zei iedereen. We vroegen ons een beetje af wat een Kloof feitelijk was. Een omgekeerde berg, of zo? We durfden het aan niemand te vragen. Dat kwam omdat iedereen die tegen ons over de Kloof was begonnen, op een bepaalde manier praatte. Namelijk alsof je niet helemaal zou sporen als je niet wist wat de fok de Kloof was. Daarom huurden we in het geheim een video over de Kloof. We keken naar de Kloof op de video en toen hadden we de Kloof in feite al een beetje gedaan. Er liepen een heleboel mensen op wandelschoenen door de Kloof. We vroegen ons af waarom. Niet van die wandelschoenen, wel van die Kloof. Niks aan, die Kloof. Gewoon een Kloof! Misschien was er ooit eentje met wandelschoenen geweest die, bevangen door de hitte had geroepen: ‘Oh! Die Kloof! Die móet je doen!’ En dat de rest dat toen had nageaapt, omdat de gestoorde man met wandelschoenen gezag bij de mensen had, of zo. Sommige mensen hebben dat. Die dwingen je met hun ogen. Hup, die Kloof in, jij. En daar gingen ze, als makke schapen. Want als er eentje over de Kloof is, et cetera.
Nou, wij zouden dus echt nooit met een schaap vergeleken willen worden! Dus wij waren vast van plan om de kloof over te slaan. In plaats daarvan wilden we dan liever als activiteit op het strand gaan liggen. We wisten alleen nog niet helemaal hoe we het zouden gaan verkopen dat we de Kloof niet hadden gedaan.
Totdat onze luidruchtige hostess Ans in ons leven kwam. Bij het woord ‘kloof’ haalden wij onze vingers uit de oren. Onze luidruchtige hostess Ans liet haar stem dalen tot wat zij dacht dat fluisteren was. Het was echt vreselijk geweest. Vorige week was er nog eentje dood uit de kloof teruggekomen. Nou ja, hij was dus feitelijk niet teruggekomen. Echt verschríkkelijk was het, zei Ans verbolgen. De andere gasten hadden een rótvakantie gehad. ‘En als er verder geen vragen zijn, dan wens ik jullie veel plezier namens de reisorganisatie!’, brulde onze luidruchtige hostess Ans weer op haar normale volume.
Nou, dát zou wel lukken. Een Dodelijke Kloof, dáár kon je nog eens een keer mee thuiskomen zeg! En mannen met wandelschoenen, daar kwam niks dan narigheid van, zie je nou wel.
‘Pak de badhanddoeken!’ riep mijn vriendin.
'Yes, we go to beach now, bye bye!’ riep ik.
En niemand die ons tegenhield.
dump nooit je problemen bij de man
Dump nooit je problemen bij de man. Als je bij de man een probleem dumpt, is het oppassen geblazen. Voor je het weet ben je er vanaf. De man doet er alles aan om z.s.m. De Dingen Op Te Lossen. Dat vindt de man namelijk een lekker gevoel. Dat de vrouw daarna dan mooi zit te kijken, zo helemaal zonder probleem, daar staat de man gewoonweg niet bij stil.
Ik keek dus wel link uit, toen met mijn probleem. Ik speelde mooi meer bij mijn mannenvrinden en belde z.s.m. mijn vriendin. Die was direct in voor een fris en fruitig probleem. En zelf had ze er eventueel ook nog wel een paar liggen. Dat kon dus leuk worden! Ik nam het probleem mee naar ons lievelingscafé. We legden het voorlopig naast ons neer. De barkeeper maakte oogcontact. En deed vervolgens zo ongemakkelijk zwierig dat mijn vriendin en ik er allebei ook ongemakkelijk van werden. Waarschijnlijk moest de barman veel buitenshuis oefenen van zijn therapeut, besloten we. Toen proostten we op een heuglijke ontwikkeling. Ik was namelijk zomaar tegen een nieuwe handtas opgelopen, die mijn rottige leven enorm zou veranderen. En pas dáárna ontvouwde ik op integere wijze het probleem.
‘Maar toen zegt die klootzak dus …’
‘Jeetje, puur vanuit dat hij de baas is of zo?!’
‘Ja, en toen had ik dus echt zoiets van ja hallo!’
‘Heb je gehuild?’
‘Tranen met tuiten, hij schrok zich dood’
‘Héél slim en mag ik je nieuwe tas trouwens eens lenen?’
‘Nee, koop zelf maar een nieuwe’
Zo filosofeerden wij nog enige borrels door. Over in principe en ondertussen. En over enerzijds dit, maar ja, aan de andere kant! We grepen elkaar ontroerd bij de hand, als dat voor het probleem goed uitkwam. En verhieven tegelijkertijd de stem, van oprechte verontwaardiging of zo. Halverwege het probleem verslikten we ons van het lachen. We waren bijna gestikt en dus dood. Dat idee was zo grappig dat we ons nog een keer verslikten. De barkeeper keek verward beledigd. Die dacht waarschijnlijk dat het allemaal om hem ging. Dat hebben wel meer mensen die in therapie zitten. Maar dat was dan weer zijn probleem!
Met dat van mij waren wij voorlopig nog even druk. Wij sneden het moedig open om te zien wat er nog meer in zat. We tilden het op om te zien wat eronder zat. We bekeken het probleem zelfs in het licht van de huidige politieke situatie. Toen vielen we stil. Ik kuchte en zocht naar niets in mijn nieuwe handtas.
‘Zou het probleem misschien zijn opgelost?’, aarzelde mijn vriendin.
‘Dit lijkt me stug!’, riep ik verward.
En inderdaad, we praatten en we praatten en toen bleken er gelukkig toch veel meer lagen in het probleem te zitten dan we hadden durven hopen. Aan het eind van de middag begrepen we alles van onszelf, het probleem en ook van het leven zelve. Het probleem was niet opgelost. Het lag er nog steeds, problematisch en wel. In feite was het probleem zelfs nog wat zwaarder geworden, nu we er van alle kanten bovenop zaten. Toch zweefde ik naar het pinapparaat.
‘Zo meisjes, dat was een diepzinnig gesprek’, polste de barman.
‘Klopt als een bus, barkeeper’, zei ik.
‘Klopt als een zwerende vinger, barkeeper’, zei mijn vriendin.
Verder zwegen we als het graf. En maakten ons z.s.m. uit de voeten. Mooi niet dat we de krankzinnige barman Ook Maar Iets zouden vertellen over het probleem. We keken wel link uit! Voor je het wist, waren we van het hele probleem af, met zo een kerel erbij. Vrolijk fietste ik door het schemerdonker, samen met mijn nieuwe handtas, en mijn vriendin. Het leven was zwaar. Maar ik een stuk lichter.
22 augustus 2003
mannen verdwalen niet!
Het hotel oogt nogal onooglijk. Maar dan blijkt dat wij De Kamer hebben. Of, beter gezegd: Het Balkon, ons eigen uitkijkpunt dat elf meter lang is en pal boven het water hangt. Dat zouden wij dus ook het liefst de hele dag willen gaan doen: een beetje boven het water hangen. Hand in hand of zo. En zo nu en dan ingehouden zwaaien naar een stille schipper die ingehouden terugzwaait.
Maar straks vragen de mensen wat wij dit weekend allemaal hebben gedaan. We verlaten daarom subiet ons balkon. We zoeken de heide en meer exact het uitkijkpunt bovenop de heide. Daar kun je niet met de auto komen, leren wij. Een uitkijkpunt is namelijk bedoeld als beloning voor een stukje sportieve inspanning naar jezelf toe. Er is ook een meevaller: we vinden een bordje 'heide'. Maar direct daarna is er weer een tegenvaller: wij verdwalen in een bos. En dan ontspint zich een eeuwenoude dialoog.
‘Oh jee, we zijn verdwaald!!!’
‘Nee hoor, we moeten hier linksaf en dan hupsakee rondom daaro ginds bij die boom.’
Eenmaal daaro ginds bij die boom kan hij het ook niet meer ontkennen. Maar dat doet hij wel. Een man eet namelijk nog liever de boom in kwestie op dan dat hij het V-woord in de mond zal nemen. Verdwalen is dan ook een kwestie van hoe je er tegenaan kijkt. En als je een man bent, kijk je er altijd op een hele aparte ( of zoals ze in sosjale sektor zeggen: niet betere, niet slechtere, maar Andere) manier tegenaan. Mannen verdwalen niet, mannen nemen gewoon een andere route. Mannen zijn de weg niet kwijt maar juist bezig om een veel betere te vinden! Het is nog niet eens dat mannen de weg niet kunnen vragen. Mannen zouden in theorie best de weg kunnen vragen. Maar in de praktijk sterven zij dan een klein beetje van binnen. Waar vrouwen alláng op een hoog gelegen punt ‘oewai!’ hadden willen zwaaien om hulp, verbieden mannen dit hun vrouwen en gaan verbeten door. Desnoods tot zij er bij neervallen. Het is daarom maar goed dat er vaak vrouwen (of honden) met hen meewandelen. Anders zou men immers overal mannen langs de kant van de weg zien liggen!
Ondertussen zijn wij nog steeds verdwaald, hoewel ik het woord niet meer hardop durf te gebruiken. Volgens mij zijn we zelfs in een ander bos beland. In elk geval zie ik door de bomen het bos niet meer. Die grap slik ik net op tijd in. Hij kijkt wanhopig maar optimistisch. Ik zwijg, want zo doen vrouwen dan weer. En na tien minuten veelbetekenend zuchten en nepzwikken, zeg ik dat ik het hem vergeef. Hij knipoogt. Of is het een zenuwtrek? Hoe dan ook: man en vrouw sluiten vrede. Dat is meestal ook maar het beste. Dan kun je tenminste de handen ineenslaan en samen het pad der liefde bewandelen. Ook met blaren.
Vanuit het niets doemt de auto op. Hij roept: ‘Ah, zie je nou wel!’. Ik doe het enige dat mij als vrouw nog rest: verontwaardigd plaatsnemen in het rijtuig en me terug laten brengen naar de bewoonde wereld. En dan zitten wij weer in ons hotel, waar we het uitkijkpunt op de tast kunnen vinden en waar wij so wie so het liefst hadden willen blijven hangen vandaag. Kijk, daar zwaaien we alweer naar een stille schipper. Die ons overigens verrekte bekend voorkomt! Voer die hier een kwartier geleden niet reeds, maar dan de andere kant op?! ‘Schipper, bent u soms verdwaald?’ roep ik. De schipper zwijgt verbeten. Hij kijkt wanhopig, maar optimistisch. Dan zwaait hij toch terug. Maar ingehouden, héél ingehouden.
winkelmeisjes zijn nare meisjes
'Ik ben namelijk gestopt met roken’, zei ik vertrouwelijk tegen het winkelmeisje. Ik weet zelf ook niet wat ik verwachtte. Maar meestal als ik het zeg van het Gestopt Zijn, verwacht ik op zijn minst íets. Een orkest dat ineens uit de lucht komt vallen, of zo. Of dat alle winkelmeisjes én de klanten een haag zouden vormden en zouden applaudisseren terwijl ik dan door die haag liep. Ik zou trots kijken. Maar toch ook nederig, zodat niemand aanstoot aan me zou nemen. Het gejuich zou aanzwellen. Lachend zou ik roepen: ‘Hoho, nu is het wel genoeg!’
Ik keek naar omhoog. Niks, qua orkest. Niet eens een gitaartrio of zo. Het winkelmeisje had zich omgedraaid.
‘Ik heb dus namelijk vijftien jaar gerookt!’, riep ik.
Het winkelmeisje keek verstoord achterom.
‘Vijf! Tien! Jaar!’
Het winkelmeisje keek mij raar aan. In een flits besefte ik hoe. Het winkelmeisje keek naar mij alsof ik een bejaarde met oorlogswond was. Of een zwerfhond, maar dan geen vertederende.
Winkelmeisjes zijn nare meisjes. Dat was vroeger wel anders. Vroeger waren winkelmeisjes kittige dingen die je erdoorheen sleepten als je nieuwe kleren moest. Die je hielpen met wat vóór moest en wat achter. En die opbeurende dingen zeiden, zoals ‘inderdaad, dat merk valt gewoon absurd klein’. Ook al was het dan niet zo. En vroeger kon je alle achttien niet passende kledingstukken gewoon in de bereidwillige armen van het winkelmeisje duwen. Desnoods gooide je ze zo vanuit het pashokje in de richting waarvan je dacht dat het winkelmeisje zou staan. Dat mocht, hoor! Want kleren zelf terug moeten doen op de kleerhangertjes, dát was er toen gelukkig nog niet bij!
Maar eigenlijk ging het nog veel verder. Vroeger waren winkelmeisjes een luisterend oor. Als er dan dingen waren waarmee je niet (meer) bij je vrienden terechtkon, ging je gewoon een middagje winkelen. Je kon de meeste winkelmeisjes gerust je vakantiefoto’s laten zien. Je kon ze uitgebreid vertellen over wat er allemaal mis kan gaan als je een rolgordijn zelf op maat moest maken. Als je een probleem had met je nieuwe vriend – hup, gewoon even met een winkelmeisje over hebben en je was het kwijt, hoor. Of als je bijvoorbeeld (ik noem maar wat) gestopt was met roken, dan kon je even fijn uithuilen. En je kreeg een hoop herkenning. Winkelmeisjes mochten immers ook niet roken. In de winkel dan, hè.
Tegenwoordig luisteren winkelmeisjes nog steeds wel, hoor. Maar dan uitsluitend naar elkaar. Dat is dus eigenlijk best wel jammer. Ik keek een beetje verdrietig om me heen. En toen sloeg mijn stemming om. Dat heb ik wel vaker sinds ik gestopt ben met roken. Ik kreeg ineens een ontzettende zin om een partijtje te gaan schelden. En sinds ik gestopt ben met roken, moet ik heel erg mijn gevoel volgen, ik heb geen keuze. Dus ik ging voor het winkelmeisje staan en zei: ‘Ik voel een soort van innerlijke blokkade naar jou toe’.
Ik had gehoopt dat er zou worden geapplaudisseerd door andere klanten. En dan weer een haag van mensen, maar nu zónder winkelmeisjes. Maar vreemd genoeg werd het juist heel stil. Dat had ook wel weer iets moois, trouwens. Het winkelmeisje keek mij vreemd aan. In een flits besefte ik hoe. Het winkelmeisje keek me aan alsof ik iemand was waarvoor je de bewaking moest gaan bellen. Dat was nog erger dan een bejaarde met oorlogswond. En daarom dacht ik: ik probeer het gewoon nog een keer.
‘Ik ben dus namelijk gestopt met roken’, zei ik.
‘Geweldig!, riep het winkelmeisje angstig.
Ik dacht dat ik haar tanden hoorde knarsen.
Maar ze was dus wel ineens een luisterend oor.
in je eentje op de waterbanaan
Dat je net je buik insmeert en dan wil je ineens op je buik liggen. En dat je daar dan de hele dag chagrijnig over blijft. Maar er waren ook mooie dingen. Bijvoorbeeld de wijze simpelheid van de hardwerkende dorpsbevolking in de stille dorpjes waar je nooit iemand tegenkwam maar dat komt: men houdt daar siësta. Daar kon je nog wat van leren! Ook van die siësta ja, maar vooral van die wijze simpelheid. Maar goed, als ze zich niet lieten zien dan hield het op, hè.
Dat was dag drie. Ergens was ik dus ontzettend toe aan een diepzinnig gesprek met een wijze tandeloze autochtone visserman. Zo’n ontmoeting die je je hele leven zou bijblijven en waarover je nog verjaardagen lang integer kon opscheppen. Ik wist ook al ongeveer hoe het zou gaan. Ik zou op een ochtend door de branding lopen, op zoek naar schelpen en mezelf. En daar was hij dan ineens, terwijl hij zijn autochtone vissersboot op het strand trok. Hij zou mij correct groeten, ik zou als een oervrouw glimlachen en wat dralen.
Dan zou hij in onverstaanbaar maar charmant Egels iets zeggen. Het zou iets zijn in de trant van ‘There are so many fishes in the ocean’, of iets anders heel dieps. Ik zou het niet verstaan maar wel begrijpen. Ik zou ontroerd zijn hand grijpen. En dan zou ik linea recta naar huis varen om kinderen te baren. Of heel ander werk gaan doen, voor niks en de maatschappij. Enkel nog hartelijkheid uitstralen naar mijn medemens. Ik noem maar wat. In ieder geval zou ik gaan doen waarvoor ik voorbestemd was. De autochtone visserman zou de hand opsteken om me vaarwel te wensen. Ik zou iets roepen van bedankt hè, maar dan in zijn taal. Zijn verweerde gezicht zou opensplijten in een allesverterende nee zijn doorgroefde gelaat zou vertrekken tot een wetende glimlach. Zijn pokdalige tronie nee nu ophouden.
Enfin, ik had alles al rond. Ik moest hem alleen nog even tegenkomen, de visserman. Ik tuurde mijn ogen er bijna uit. Maar er verscheen maar niets aan de horizon. Wel kliefde er de ganse dag een waterbanaan door het water. Dan klom je met zijn zessen achter mekaar op een enorme gele plastic banaan en dan ging je keihard. Op dag zes zag ik dat er iemand in zijn eentje op zat. Het zag er niet uit. En het deed me gewoon pijn aan mijn hart. Wat was dat voor een mens die in zijn eentje op de waterbanaan wilde? Waren ze met zeven vrienden en had hij zojuist niet mee gemogen? Was het een uitgescheurde moeder van drie peuters, die alleen op deze manier kon ontsnappen? Uiteindelijk bleek het een lange dunne man met een wit gewaad en een baard te zijn die dacht dat hij Jezus was. De werkelijkheid is altijd erger.
Op dag negen kwam ik eindelijk een autochtone visserman tegen. Maar die zat de hele dag zijn netten te boeten. Waarschijnlijk de avond ervoor niet netjes opgevouwen want zo gaat dat met die autochtonen. En daar moest hij dan dus nu voor boeten. Nee, het leek me gewoon niet echt het type voor diepe levenswijsheden. Bovendien was hij me net iets te pokdalig. Op een keer liep ik hem met afgewend hoofd voorbij. Ik hoorde hem iets slissen. Traag draaide ik me om. ‘You go banana!’, wees de visserman vrolijk. Even twijfelde ik. Ik in mijn eentje op die banaan, op de oceaan van het leven. Het hád wel iets dieps.
Toen blies ik mijn adem uit. Er kwam vast nog wel een normále tandeloze autochtone visserman voorbij. Ik smeerde mijn rug in. En toen wou ik erop liggen.