Mijn sportschool is een tweede thuis voor allerhande brede jongens. Samen met elkaar zijn al deze brede jongens een soort van familie. Lachen om dezelfde dingen. Saunaslippers. Wijdbeens lopen, en een beetje vertraagd. Maar dat kan natuurlijk ook van al die spieren komen, want spieren zijn zwaarder dan vet. En natuurlijk is er hun eigen broedergroet, een soort van handjeklap waar ik de vinger niet op kan leggen. Ja, de gespierde jongens in mijn sportschool konden wel broers zijn met zijn allen.
Maar het zijn dus geen broers met zijn allen. Tenminste, geen officiële. Dus of je erbij hoort of niet, dat kan zomaar ineens een keer voorbij zijn. De meeste stoere jongens in mijn sportschool hebben daarom ogen die constant heen en weer schieten. Soms kan ik hun gedachten zien. Ben ik nog in beeld. Is Donny al binnen. Nu rielekst naar het volgende apparaat. Zit me trainingsbroek in me bilnaad. Dat gelach, is dat om mij. Niet struikelen. Dat wijf kijkt naar je armen, doe nog een setje. Is Donny nou al binnen.
In mijn sportschool gebeuren de verschrikkelijkste dingen tussen de brede jongens. Soms komt er een brede jongen op een groepje brede jongens af deinen. Rustig lopen, Sjonnie, niet te gretig. Heft zijn hand voor een oprechte broedergroet. Juist dan barst het groepje brede jongens uit in een diep gebulder, dat is bedoeld als groepsbinding. Schielijk die hand neerhalen. Doorlopen Sjonnie, niks laten merken. Ogen flitsen. Nek langzaam roder. Zo sneu. Ik moet me bedwingen om zo'n jongen niet even aan mijn boezem te drukken. Maar hee, ik hou me in.
Er gebeuren ook mooie dingen. Gisteren nog. Donny kwam binnen. Donny is de broer die elke brede jongen wil. Beetje stout, beetje crimineel, maar vol met broederliefde. Donny kwam binnen. Een siddering ging door de zaal. Donny is er. Donny is er. Misschien was het mijn verbeelding, maar de radio speelde ineens nog wat harder. Supertramp, allemachtig. Ik kreeg kippenvel op mijn armen. Iets van vroeger greep me bij de keel. Ik kon er de vinger niet op leggen. Donny deinde de zaal door. Klepperdeklep, zeiden de saunaslippers van Donny, toen hij zachtjes wiegend voor me langs liep. Overal in de zaal strekten zich de brede ruggen. Alle ogen zochten die van Donny. Donny's ogen zochten niet terug. Donny liep in een rechte lijn. Donny had een doel. Donny ging zijn waterflesje bijvullen.
Daarna liep Donny door. Recht op een brede jongen af, die waarschijnlijk Donny's lievelingsbroer was. De lievelingsbroer begon ook te lopen. Toen ze mekaar naderden, hieven ze allebei de rechterhand. Nog twee seconden. Nog één seconde. Tsjak, daar knalden hun handpalmen tegen elkaar. ‘Eejj Donnymen!!’, riep de lievelingsbroer. ‘Dennis jonge’, zei Donny. Toen liepen ze door, Donny en de lievelingsbroer. In hetzelfde trage ritme zag je die gespierde kontjes van elkaar wegdeinen. En Supertramp kloeg verder.
’I know it sounds absurd ...
But please tell me who I am ...
Who I am ...’, zong Supertramp.
’Who I am ...’, zoemde ik zachtjes.
’Who I AAAAAAAAM!!!’, gilde de lievelingsbroer van Donny met een hoge meisjesstem. Oh, het is dan ook een heel verleidelijk zinnetje voor zoiets. Donny draaide zich om naar de lievelingsbroer. Donny kéék alleen maar. Niet eens met een bepaald soort uitdrukking. Gewoon kijken. En het gekke was: Donny’s lievelingsbroer voelde dat. Hij hoefde zich er niet eens voor om te draaien. Hij wist het, gewoon vanwege de ogen van Donny in zijn rug. De cadans van de lievelingsbroer van Donny haperde. Zijn nek werd rood. Toen deed hij snel een setje met wel tweehonderd kilo's. Die zal vandaag een spierpijn hebben zeg, niet normaal.
29 augustus 2004
dat gelach, is dat om mij
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen