ja, ik ben een cappuccinosnob
Op Kantoor sta ik bekend als cappuccinosnob. De normalen zetten gewoon om negen uur 's ochtends het illegale koffiezetapparaat aan. Een vergrijp waarover iedereen zich een stuk minder schuldig voelt sinds bekend is geraakt dat er elders op Kantoor afdelingen zijn waar men illegaal kroketten in de frituurpan gooit. Dat gaat echt veel te ver. Dat vinden wij zelfs erg.
Enfin, waar de normalen dus een kopje gewone burgerkoffie maken, wacht ik tot de kantine opengaat om tien uur. Meestal loop ik er zo tegen negen uur zevenenvijftig uur al op mijn dooie akkertje naartoe. Zo, nu loop ik even op mijn dooie akkertje naar de kantine, zeg ik dan tegen mezelf. Dat is een rustgevende zin om te zeggen, probeer hem maar eens uit. Ik krijg er beelden bij van mijn opa en Drenthe. Maar voor een ander is het misschien zijn oma en Limburg. Niemand voelt hetzelfde bij dezelfde dingen. Dat is niet erg, dat hoort nu eenmaal bij het leven.
Enfin, dan kom ik precies om tien uur in de kantine aan. Dan kijken de kantinedames eerst heel verontwaardigd, omdat dat nu eenmaal in hun genen zit ingebakken. Maar dan wijs ik met een trillende wijsvinger naar de klok. Dat komt door caffeinedeficientie. Nou oke, dat komt omdat ik eigenlijk bang ben voor de kantinedames. Kantinedames kennen geen twijfel. Hun leven is kantineus en opgeruimd, met zekerheden waarvan ik alleen maar kan dromen. Toch snoert mijn trillende wijsvinger hen elke keer opnieuw de mond. Zij hebben geen poot om op te staan. Tien uur is tien uur. Werkschuw tuig is het.
Dan laat ik het apparaat zijn cappuccinerende werk doen. En dan loop ik op mijn dooie akkertje weer terug. Dan denk ik aan mijn opa en hoe ik achterop zijn Solex mocht, met de benen in de fietstassen. Of ik denk aan dooie akkertjes en hoe die er eigenlijk uitzien. Ik ga ervanuit dat ze woest en ledig zijn, bijvoorbeeld omdat de oogst net is geweest. Een kleine oogst, want we hebben het maar over een akkertje natuurlijk. Een lief klein akkertje, dat wel. Maar van de opbrengst kun je feitelijk niet leven. Dan doe ik de deur van Kantoor open, laat mijn opa op de gang achter en plof op mijn bureaustoel neer. Ik neem mijn eerste slokje. Het eerste slokje is eigenlijk het beste.
'Oooooaaaaah', zucht ik dan.
Ik kan het gewoon niet tegenhouden.
Sommige dingen kun je echt niet tegenhouden, he.
'Cappuccinosnob!', zegt dan meestal een collega.
En dan denk ik: ach.
Zij weten niet beter.
Zij zijn nog niet waar ik ben.
[Oh maar na een minuut of zeven, dan is het dooie akkertje nog slechts een vage herinnering. Ik kan helemaal niet tegen caffeine namelijk. Ik krijg hartkloppingen. Opgejaagd wild ben ik, dat eigenlijk zou moeten rennen in een bos zoals opgejaagd wild graag doet. Maar ik zit gevangen op mijn bureaustoel. Als het tegenzit, ga ik ook nog kleine insecten zien die er dan niet zijn maar voor mij dus wel. Heel verontrustend allemaal. Heerlijk.]
Enfin, waar de normalen dus een kopje gewone burgerkoffie maken, wacht ik tot de kantine opengaat om tien uur. Meestal loop ik er zo tegen negen uur zevenenvijftig uur al op mijn dooie akkertje naartoe. Zo, nu loop ik even op mijn dooie akkertje naar de kantine, zeg ik dan tegen mezelf. Dat is een rustgevende zin om te zeggen, probeer hem maar eens uit. Ik krijg er beelden bij van mijn opa en Drenthe. Maar voor een ander is het misschien zijn oma en Limburg. Niemand voelt hetzelfde bij dezelfde dingen. Dat is niet erg, dat hoort nu eenmaal bij het leven.
Enfin, dan kom ik precies om tien uur in de kantine aan. Dan kijken de kantinedames eerst heel verontwaardigd, omdat dat nu eenmaal in hun genen zit ingebakken. Maar dan wijs ik met een trillende wijsvinger naar de klok. Dat komt door caffeinedeficientie. Nou oke, dat komt omdat ik eigenlijk bang ben voor de kantinedames. Kantinedames kennen geen twijfel. Hun leven is kantineus en opgeruimd, met zekerheden waarvan ik alleen maar kan dromen. Toch snoert mijn trillende wijsvinger hen elke keer opnieuw de mond. Zij hebben geen poot om op te staan. Tien uur is tien uur. Werkschuw tuig is het.
Dan laat ik het apparaat zijn cappuccinerende werk doen. En dan loop ik op mijn dooie akkertje weer terug. Dan denk ik aan mijn opa en hoe ik achterop zijn Solex mocht, met de benen in de fietstassen. Of ik denk aan dooie akkertjes en hoe die er eigenlijk uitzien. Ik ga ervanuit dat ze woest en ledig zijn, bijvoorbeeld omdat de oogst net is geweest. Een kleine oogst, want we hebben het maar over een akkertje natuurlijk. Een lief klein akkertje, dat wel. Maar van de opbrengst kun je feitelijk niet leven. Dan doe ik de deur van Kantoor open, laat mijn opa op de gang achter en plof op mijn bureaustoel neer. Ik neem mijn eerste slokje. Het eerste slokje is eigenlijk het beste.
'Oooooaaaaah', zucht ik dan.
Ik kan het gewoon niet tegenhouden.
Sommige dingen kun je echt niet tegenhouden, he.
'Cappuccinosnob!', zegt dan meestal een collega.
En dan denk ik: ach.
Zij weten niet beter.
Zij zijn nog niet waar ik ben.
[Oh maar na een minuut of zeven, dan is het dooie akkertje nog slechts een vage herinnering. Ik kan helemaal niet tegen caffeine namelijk. Ik krijg hartkloppingen. Opgejaagd wild ben ik, dat eigenlijk zou moeten rennen in een bos zoals opgejaagd wild graag doet. Maar ik zit gevangen op mijn bureaustoel. Als het tegenzit, ga ik ook nog kleine insecten zien die er dan niet zijn maar voor mij dus wel. Heel verontrustend allemaal. Heerlijk.]