bonzijder, heel bonzijder
'Ik meen dat ze Blaauw heten, met dubbel a', zei ik terwijl ik de weg af tuurde. 'Oh daar had je ze al', wees ik. Ik draaide mijn nek weer terug. 'Oh, en daar komen ze nog een keer', wees ik verbaasd. Aan weerszijden van het water stond een firma Blaauw, met vlaggen die wapperden. Bij de linker waren het zeker vijftien blauwe vlaggen, alsof iemand een onvermijdelijke ingeving had gehad en zichzelf niet had kunnen afremmen.
Bij de rechterfirma Blaauw waren de drie vlaggen fletsig geel. Ik ging een snelle auto kopen en ik was daarom een serieus te nemen serieuze vrouw maar toen ontdekte ik een glazen stolp met paaseitjes op de balie en ik dacht: zijn de blauwen nu melk en de rooien puur of is dat steeds weer anders? Het leek mij het slimste om zowel een blauw als een rood eitje te pakken, omdat je dan in elk geval wel een grote kans had dat er een melkeitje bij zat. Hoewel: als je nú al zeker zou weten dat blauw melk was, kon je beter twee blauwe paaseitjes pakken want dan had je twee keer geen teleurstelling straks.
Ik scheurde het blauwe papiertje van een eitje. Een wit eitje. Een wit eitje. 'Dat is bijzonder', zei ik hees van onderdrukte paniek. 'Inderdaad bonzijder, heel bonzijder', zei mijn oom die graag delen van woorden omdraait. 'Zou jij nu eens zo een rode wi ...', zei ik. Maar toen kwam er een jongen aanlopen. 'Vul je zakken, vul je zakken', zei ik haastig fluisterend. De kleur maakte nu niet meer uit. Het was een kwestie van nemen wat je krijgen kunt.
'Zij zoekt een snelle auto', zei mijn oom. 'Die desondanks goedkoop is', zei ik er snel bij. 'Och, die verkopen wij niet', zei de jongen zachtaardig. 'En die andere Blaauw, is dat familie?', wees ik naar de overkant. 'Eh ja', zei de jongen en hij bloosde. 'Dat is mijn oom', zei de jongen. 'Vroeger waren wij één bedrijf. Maar mijn vader en mijn oom praten niet meer met elkaar.' Met ons drieëen tuurden we naar links, over het water, naar waar de blauwe vlaggen trots wapperden. In mijn geest zag ik twee jongens die knikkerden, tegelijk verkering kregen en samen hun eerste auto verkochten. Daarna moet er iemand met de vuist op tafel hebben geslagen. En toen nog een keer. En daarna waren er twee firma's Blaauw, slechts gescheiden door wat water.
'Moet ik anders je oom de groeten doen dadelijk?', zei ik in een opwelling. De jongen schrok. 'Oh nee, doe dat maar niet', zei hij zacht maar dringend. 'Doe dat maar niet', herhaalde hij fluisterend. 'Oké, dan niet', suste ik. En wij namen afscheid. 'Wil jij eigenlijk nog naar die andere Blaauw', vroeg mijn oom. Ik huiverde bij de helblauwe vlaggen die kil klapperden in de wind. 'Nee, doe mij liever nog eens zo'n paaseitje', zei ik. Mijn oom gaf mij er een met een rood papiertje. Weer een wit eitje! Ik kon een kreet niet onderdrukken. 'Bonzijder', zei mijn oom. 'Heel bonzijder.'
Bij de rechterfirma Blaauw waren de drie vlaggen fletsig geel. Ik ging een snelle auto kopen en ik was daarom een serieus te nemen serieuze vrouw maar toen ontdekte ik een glazen stolp met paaseitjes op de balie en ik dacht: zijn de blauwen nu melk en de rooien puur of is dat steeds weer anders? Het leek mij het slimste om zowel een blauw als een rood eitje te pakken, omdat je dan in elk geval wel een grote kans had dat er een melkeitje bij zat. Hoewel: als je nú al zeker zou weten dat blauw melk was, kon je beter twee blauwe paaseitjes pakken want dan had je twee keer geen teleurstelling straks.
Ik scheurde het blauwe papiertje van een eitje. Een wit eitje. Een wit eitje. 'Dat is bijzonder', zei ik hees van onderdrukte paniek. 'Inderdaad bonzijder, heel bonzijder', zei mijn oom die graag delen van woorden omdraait. 'Zou jij nu eens zo een rode wi ...', zei ik. Maar toen kwam er een jongen aanlopen. 'Vul je zakken, vul je zakken', zei ik haastig fluisterend. De kleur maakte nu niet meer uit. Het was een kwestie van nemen wat je krijgen kunt.
'Zij zoekt een snelle auto', zei mijn oom. 'Die desondanks goedkoop is', zei ik er snel bij. 'Och, die verkopen wij niet', zei de jongen zachtaardig. 'En die andere Blaauw, is dat familie?', wees ik naar de overkant. 'Eh ja', zei de jongen en hij bloosde. 'Dat is mijn oom', zei de jongen. 'Vroeger waren wij één bedrijf. Maar mijn vader en mijn oom praten niet meer met elkaar.' Met ons drieëen tuurden we naar links, over het water, naar waar de blauwe vlaggen trots wapperden. In mijn geest zag ik twee jongens die knikkerden, tegelijk verkering kregen en samen hun eerste auto verkochten. Daarna moet er iemand met de vuist op tafel hebben geslagen. En toen nog een keer. En daarna waren er twee firma's Blaauw, slechts gescheiden door wat water.
'Moet ik anders je oom de groeten doen dadelijk?', zei ik in een opwelling. De jongen schrok. 'Oh nee, doe dat maar niet', zei hij zacht maar dringend. 'Doe dat maar niet', herhaalde hij fluisterend. 'Oké, dan niet', suste ik. En wij namen afscheid. 'Wil jij eigenlijk nog naar die andere Blaauw', vroeg mijn oom. Ik huiverde bij de helblauwe vlaggen die kil klapperden in de wind. 'Nee, doe mij liever nog eens zo'n paaseitje', zei ik. Mijn oom gaf mij er een met een rood papiertje. Weer een wit eitje! Ik kon een kreet niet onderdrukken. 'Bonzijder', zei mijn oom. 'Heel bonzijder.'