Ineens stond hij pal achter mij – een gelige man met diepe groeven in het gezicht. Ren, Jacq, ren, dacht ik. Maar ik zei: 'Mag ik wel even een proefritje maken?'
'Jah', zei de gelige man. Het klonk meer als een hoest. Misschien was het dat ook. De man zag eruit alsof hij rokend was geboren. Ik moest een beetje giechelen bij het idee van een pasgeboren baby die om een asbak vraagt, maar ik besloot er niet verder op in te gaan in mijn hoofd. 'Haar naam is Laura, een hele lieve meid', hoorde ik Jan Smit vanuit het kantoortje zingen. Ontroering beving mij. Jan Smit is echt volwassen aan het worden. Of dat echt een goed idee is, weet ik trouwens niet. Maar toch was ik ontroerd. En direct daarna geirriteerd, namens Laura dan. Je zult maar een hele lieve meid worden genoemd. Klinkt toch een beetje alsof je verder niet goed wijs bent. Maar wel een hele lieve meid, hoor. Maar in wezen dus gestoord.
'Dan gaan we maar', zei de gelige man. In mij begon iemand te jammeren. Noo way dat ik met de gelige man in één auto ging. 'Ik maak niet graag een proefrit met iemand naast mij', zei ik beleefd. Plus dat ik dus een kleiiin beetje bang was voor de gelige man. En dat kleine beetje, dat kwam omdat de zon zo lekker scheen. Dan zie je de dingen een beetje luchtiger. Bij een dicht wolkendek was ik al lang en breed gillend weggerend van de gelige man, om dan later terug te sneaken voor mijn fiets. In de stad ben je niets zonder fiets, hè.
'Oké', hoestte de gelige man. Ik ademde uit. Ik plofte in de bestuurdersstoel en trok het portier naar me toe. Toen hoorde ik een klik. Ergens viel nóg een deur dicht. Iets ving mijn oog in de achteruitkijkspiegel. De gelige man. Op de achterbank van de auto. Een grote wolk schoof voor de zon. 'Zooh ...', zei de gelige man in mijn nek. In gedachten sprong ik uit de auto, wierp al mijn kleren van me af en rende naar de horizon. Maar de gelige man zei: 'Hier maar links.' En ik ging links, want ik had geen eigen wil. Doodstil zat de gelige man op de achterbank. Zo doodstil, dat ik op een zeker moment dacht: hij is dood. Ik heb een lijk op de achterbank. Eerst vond ik dat een stoer idee, later vond ik het een smerig idee. En toen waren wij weer in de straat en niets was mij bijgebleven van de proefrit. Ik remde zo abrupt dat de gelige man naar voren schoot. Hij greep zich met zijn beide handen aan mijn stoel vast. Hij leefde, want dat doen de doden niet.
'Ik denk er nog éeven over na', zei ik lief. De gelige man spuugde iets uit. En hij draaide zich om. En ik draaide me om. Ik stak mijn hand in mijn broekzak. Mijn vingers omklemden mijn fietssleutel. Met mijn duim drukte ik in de randjes, tot het een beetje zeer deed. Het was een fijn gevoel. Oh, het was een vreselijk fijn gevoel.