28 januari 2007

en dat bubbelbad, waar is dat?

Dat bleek dat we een badmuts op moesten, dat was bijna nog de reden dat we het hele zwemplan afbliezen. 'Ik zie er niet uit met een badmuts', zei de vriendin. 'Ik ook niet', zei ik. Aarzelend keken we elkaar aan. Het zat er waarschijnlijk niet in dat wij na het zwemmen knappe mannen in zwembroek mee naar de camping zouden kunnen nemen. Tenzij we gewoon het hele zwemplan afbliezen dan. Toegegeven, dan hadden we óók geen mannen in zwembroek, maar dat was dan logisch, omdat we ze ook niet tegen zouden zijn gekomen.

Twijfelend staarden wij door het glas, waarachter het zwembadgebeuren in volle gang was. Mijn oog viel op de badmeester en zijn vrouw (haha, nee, dat was gewoon een badjuffrouw, tenminste dat denk ik eigenlijk wel, hoor. Aan de andere kant: het lijkt me ook wel weer typisch een baan waarbij je je vrouw zou kunnen meenemen. Stel, er zijn haast geen verdrinkingen, wat doe je dan zo'n hele dag), nu enfin de badmeester en zijn vrouw dus, die zaten samen gebogen over een stuk papier. Wat voor een soort papieren moet je nu als badmeester bestuderen tijdens het uitoefenen van je badmeesterschap, peinsde ik. Misschien betrof het een overzichtsschema van het gehele bad. 'Hé, ik wist niet dat je hier ook naar buiten kon zwemmen', zou de badmeester verbaasd tegen zijn vrouw zeggen. 'En dat bubbelbad, waar is dat dan', zou de vrouw van de badmeester vragen, op zo een gezellige toon van vrouwen die met hun man mee naar het werk zijn gegaan. De badmeester zou zoekend om zich heen kijken. Echt, ik begreep niet waarom ze die vent in de first place hadden aangenomen! In mijn hoofd kon ik de badmeester al deemoedig zien staan op begrafenissen van klein grut. Als hij tenminste lef in zijn donder had.

Vijf seconden later klonk er een schrille fluit. Beschaamd blies ik tegen de glaswand. De badmeester zag wel degelijk alles. Eh-eh, gebaarde hij streng met zijn wijsvinger naar twee jongetjes die gek deden in het baantjestrekgedeelte. De jongetjes doken snel weer onder het touw door. In het baantjestrekgedeelte zwom slechts één zwemmer. Zijn hele wezen straalde een missie uit: vele, vele baantjes trekken. Ikzelf ben slecht in baantjes trekken. Eén baantje wil nog wel, maar daarna denk ik: oh men, ik verveel me hier dus echt de pleuris! Daarna ga ik dingen opduiken, desnoods dingen die er niet zijn. Iets van bewondering was dus in mij, voor de eenzame baantjestrekker. Maar het leek me dus ook een hele saaie vent die nooit eens iets bijzonders zou doen voor je.

'We doen het', zei de vriendin. Dus deden we het. 'Hahaha!', riepen we, toen we elkaar zagen met onze badmuts op. We spraken er niet over, maar eigenlijk hadden we willen huilen, en niet uit de doucheruimte willen komen. Maar iets in ons zei dat we het sportief moesten opvatten. Eigenlijk is dat zo'n beetje het leven in een notedop, peinsde ik, toen ik glibberend en glijdend en met mijn badmuts over mijn oren het zwembadgebeuren betrad. Als je het leven sportief opvat, dan valt het in feite nog best mee. Direct daarna bevingen de chloordampen mij.