Gisteren begon mijn ene collega erover. Eigenlijk zaten wij veel te veel achter het beeldscherm. Wij zouden er eens wat vaker uit moeten. 'Naar ... buiten bedoel je?!', schrok ik, terwijl ik griezelend door het raam keek. 'Oh ja', riep mijn collega. Eeeven de kop in de wind. Muisarm van de muis. Telefoonoor van de telefoon. 'Mja,' zei ik, en ik voelde aan mijn oor. 'Even een fijn stukje wandelen', zei mijn collega. En bij dat woord was het alsof er een bliksemschicht door me heen ging.
Ik was ineens terug in mijn studententijd. Toen we nog werkschuw tuig waren en pas gingen slapen als het licht werd. De halve nacht discussieerden wij en bedachten theorieën, voornamelijk over hoe je knappe jongens het best kon benaderen terwijl de knappe jongens zouden denken dat zij jou hadden benaderd. Uiteindelijk vielen wij doodop in slaap en een oplossing was niet nabij. Zo rond het middaguur schoof ik dan zuchtend mijn gordijnen open, zette mijn ellebogen op de vensterbank en staarde gapend naar het gepeupel in de stad. En dan waren ze onveranderlijk daar, ver beneden mij: de groepjes mannen van de kantoren.
Stil moesten zij hebben gewerkt die ochtend, stelde ik mij dan voor. Totdat er eentje had gezegd: 'Half één. Tijd om de benen te strekken.' Alle stoelen hadden zich naar achteren gereden. De mannen waren opgestaan. En dan kuierden zij een van tevoren bepaald blokje om. Twee aan twee liepen de mannen, net als vroeger op de lagere school - maar dan niet hand in hand. Van verschillende kantoren waren mannen op hetzelfde idee gekomen, zodat sliertjes van kantoormannen zich door de binnenstad verplaatsten. Bij het passeren was er een korte knik tussen de slierten, tenzij van een concurrend kantoor natuurlijk. Dan was er stilzwijgen en afgewende hoofden.
Heel gemêleerde groepjes waren het in een zeker opzicht, met mannen van middelbare leeftijd, volwassen mannen, en ook met mannen die eigenlijk nog jongens waren maar niet zo lang meer. De grote gemene deler was dat het slechtgeklede mannen waren, die desperately een heel erg extreme make over moesten. Maar make overs had je nog niet in de tijd dat ik student was. Je was geboren met je eigen smaak en daarmee ging je later ook dood. Gelukkig werden de mensen vroeger niet zo oud. Parka was het sleutelwoord. En beige, heel veel beige. Oh, en lunchtrommeltjes. Want dat was misschien nog wel het ergst om in het wild te zien: dat de mannen openlijk een lunchtrommeltje meedroegen, waaruit zij zo nu en dan met smaak een hap namen. Niet uit het trommeltje zelf hoor, maar wel uit een paar lekkere witte boterhammen met pindakaas. Want wit brood, dat was toen nog heel gezond.
Ik gaapte nog maar eens. 'Duhus', zei mijn collega. 'Als het een beetje droog wil blijven, dan gaan we fijn wandelen in de pauze!' In mij donderde het. Het luchten, daaraan herkent men de gevangenis, dacht ik. 'Wandelen, is dat niet meer iets voor mannen', piepte ik nog. Maar mijn collega keek mij bevreemd aan. Ik slikte. En nog een keer. 'Heel goed idee', zei ik. Want dan was je er eens even uit, tenslotte.