Even dreigde het nog leuk te worden ook. Dat was toen we ook een negatieve eigenschap van de andere teamleden mochten opnoemen. Ik stak direct mijn vinger op. 'Je moet het eigenlijk zien als een cadeautje', zei de vrouw. 'Want de ander kan dat dan fijn in zijn rugzakje stoppen.' Mijn vinger zakte omlaag. Ja, als het zó moest!
'Wie wil er beginnen', zei de vrouw. Het werd stil. Ik hoorde de ademhaling van ons allen stokken, om maar zo min mogelijk de aandacht te trekken. Het voelde als de havo, toen elke beweging de aanleiding kon zijn tot een priemende vinger van de leraar. Nou, zeg jij het maar eens, Veldman. En dat je dan niks wist. Zelfs niet meer wie je was en hoe je in je mond ook alweer een woord moest maken. Op de havo heb ik geleerd hoe je jezelf onzichtbaar maakt. Het is niet moeilijk, maar je moet je er wel goed op focussen.
De vrouw keek rond. Er kon nu elk moment een van ons worden aangewezen. Iemand begon te hoesten en hield niet meer op. Dat was natuurlijk omdat hij wist dat je iemand die een hoestbui had moeilijk het woord kon geven. Damn, waarom was ik daar niet op gekomen! De collega tegenover mij was een studie aan het maken van een of ander piepklein en extreem denkbeeldig insect op het plafond. Degene links van mij schreef druk in zijn notitieblok. Ik helde wat naar zijn kant en keek mee. Het waren cirkels die in elkaar overliepen en nergens eindigden. Per ongeluk keek ik de vrouw aan. De vrouw keek terug. Ik kneep één oog dicht, alsof ik ontzettend hard aan het nadenken was. Haar blik dwaalde weg. Ik ademde uit.
'Wel', zei de vrouw. 'Wil jij misschien beginnen, N.?' Mijn collega N. keek ons woedend aan, alsof wij er iets aan konden doen. Triomfantelijk keek ik terug. N. kuchte. 'Nou, het is niet persoonlijk bedoeld', zei N. tegen D. die er ineens uitzag alsof hij nodig naar het toilet moest. 'Maar ik vind jou soms best wel weinig empathisch.' Ik dacht: nu gaan we heel hard lachen. En dan zand erover. Maar het bleef doodstil. 'Herken je er iets van bij jezelf, D.?', vroeg de vrouw. 'Nah nee', zei D. 'Dan stop je 'm toch gewoon níet in je rugzakje!', riep de vrouw. Ze gooide een denkbeeldig iets over haar schouder en keek er olijk bij. 'Oh, da's goed', zei D. die zijn schouders ophaalde. Een lieve, kleine zweetdruppel gleed langs zijn slaap. 'Wie wil er nu iets over D. zeggen', zei de vrouw opgewekt. 'Zeg, doen we trouwens nog rookpauze!', riep ik. Dat gingen we even afstemmen. Er waren vier op tegen maar ik was heel erg voor. En als ik ergens voor ben, dan eh. Dat is zeg maar een positieve eigenschap van mij. Dus we deden rookpauze.
Kon ik mezelf maar doodroken nu, dacht ik toen ik eenmaal buiten stond. Kon ik mezelf maar doodroken, zodat ik nooit meer naar binnen hoefde. Nou, ik heb er echt alles aan gedaan. Maar dat lukte dus niet.