18 februari 2007

ik ben gewoon meer een kattenmens

Tegenover mij in de bus zat een hond die langs mij heen keek. Het was zo een hond die je wel eens op jachttaferelen ziet. Dan rent er ergens een everzwijn met de dood in de ogen en daar rent dan zo een hond achteraan. Of dan ligt er ergens een everzwijn met een speer in zijn rug, en dan zit zo een hond ernaast op een manier van jahaa dankzij míj dus hè. Wat een arrogantie zeg, je doet het toch samen met zijn allen!

De hond keek langs mij heen. Ik kuchte. Ik word graag opgemerkt door honden. Het is niet om arrogant te doen, maar de meeste honden vinden mij waanzinnig leuk. Ik had dus wel zo'n beetje zo'n voorgevoel van hoe het tussen mij en de hond verder zou gaan. De hond zou traag zijn kop draaien en mij zien. In een langzaam soort slow motion zou hij mij in de armen vliegen. Eerst zou er geknuffel zijn, daarna het spontaan apporteren van dingen. Buspassagiers zouden spontaan gaan applaudiseren. En op het eind zou de baas van de hond moeten toegeven wat iedereen al wist: ik was een beter baasje voor zijn hond dan hijzelf ooit zou kunnen zijn. Onwillig zou hij mij de hondenriem overhandigen. Niet dat ik daar dan ook op zou ingaan, trouwens. Ik ben gewoon meer een kattenmens.

Ik kuchte nog eens. De hond draaide traag zijn kop en keek mij aan. De blik in zijn ogen was leeg. Ik had er net zo goed niet kunnen zijn wat de hond betrof. Ik zuchtte. Dit was een hond waarmee niets te beginnen viel en ik hád het kunnen weten. Je pikt ze er op een gegeven moment zo tussenuit, want dat is de kracht van levenservaring.

Ik liet mijn ogen afdwalen en verplaatste mijn aandacht naar de baas van de hond. Vanuit mijn ooghoeken zag ik de belangstelling van de hond toenemen. Te laat, fukker! De baas van de hond was een oude man met wit haar en groene regenlaarzen. Kan ook andersom zijn geweest. De man ving mijn blik en keek direct vol aandacht terug. Zo kan het dus ook. Ik glimlachte. Glimlachen doe ik vaak en graag, want een glimlach is immers de deur naar het hart van de ander. De man glimlachte terug. Traag opende hij zijn oude mond. Ik deed direct mijn ogen dicht en viel in een diepe, diepe nepslaap. Een gesprek met een hond is tot daar aan toe, maar met mensen doe ik het eigenlijk liever niet.

Pas toen viel mij het rijgedrag van de buschauffeur op. De buschauffeur reed zo agressief dat het me een heel bedeesde man leek, in the privacy of his own home dan. Ik werd hard met mijn rug tegen mijn stoel gedrukt. Hotsend en klotsend raceten wij door het centrum. Her en der sprongen mensen opzij. Het was een kwestie van tijd voordat er eens eentje geschept ging worden. Belangstellend boog ik me wat meer naar het raampje toe.