07 januari 2008

au, au, au, mijn telefoonbot

Ik trok het autoportier open en ik stootte keihard mijn telefoonbot. Als iemand mij trouwens kan uitleggen waarom het je telefoonbot is, be my friggin' guest. Het is niet alsof er een snoer aan zit, het is niet alsof er een simkaart in kan, en het is ook niet alsof je ermee kan communiceren met vrienden en familie. Ook lijkt je telefoonbot helemaal niet op een telefoon, hoewel je het misschien eerst uit je arm zou moeten halen om te zien of dat echt niet zo is. Maar zo van buitenaf denk ik: neen.

Ik smoorde een vloek. Of ik vloekte een smoor, want op dat moment wist ik dus gewoon echt niet wat ik deed. Ik wist maar één ding: dit is het soort pijn die alleen maar erger wordt. Het daadwerkelijk stoten van het telefoonbot was pijnlijk geweest, maar het was peanuts vergeleken met wat nog ging volgen. Ik kon alleen maar lijdzaam wachten op de pijn. In de verte kon ik hem aan voelen komen, als een soort van ringtone (ahá!!!) die steeds harder wordt. Oh, daar kwam hij al. Ik zeeg neer op de bestuurdersstoel. Ik slikte. Mijn oren suisden.

De enige andere keer dat ik eenzelfde soort pijn had gehad, was toen ik tijdens het achteruitjoggen door mijn enkel was gegaan. Toen was ik ook neergezegen, zij het niet op een bestuurdersstoel. Mijn oren hadden gesuisd. 'Je ziet helemaal wit', zei mijn intelligentere, vooruitjoggende vriendin, die terug was komen joggen. 'Amai, geef mij een momentje', had ik plechtig gezegd. En daarna viel ik flauw, althans bijna.

Ik zag mezelf in de achteruitkijkspiegel. Ik zag spierwit. De pijn was nog niet eens op zijn hoogtepunt. Een jankende elektrische gitaar ging via mijn telefoonbot naar mijn hersenen. 'Ooowooow ...', zei ik zachtjes. 'Oooooow oow ow ...'

Ik haat elektrische gitaren. Ooit, toen ik zeventien was, luisterde ik op een kamertje in Groningen naar een jongen die er net mee aan het oefenen was geslagen. Ik zat op zijn eenpersoonsbed, met een voet onder mijn billen getrokken. Hij stond voor zijn bed, met de lippen opeengeklemd, terwijl hij het kastje bij zijn voet wat harder zette. Ik keek ernstig en probeerde met mijn voet mee te tikken in het ritme dat ik er niet in kon ontdekken. Hij plukte aan snaren, en de ene snaar was nog erger dan de andere. Ik wilde alleen maar bij elke pluk gaan gillen dat het moest ophouden en wel NU! NU! NU! Als hij opkeek, glimlachte ik. 'Wow', zei ik op een moment dat hij even stilviel. Je kunt wow zeggen op een manier van the end. De jongen had zijn gitaar tegen de muur gezet en was naast mij op het bed gaan zitten. Zelfverzekerd had hij zich naar mij gebogen. (Het was nog in de tijd dat gitaristen alle meisjes konden krijgen.)

Okido, even terug naar het telefoonbot en de pijn. Nou ja, die zakte dus langzaam af. Maar later kreeg ik er echt een bult op en bovendien een blauwe plek, dus niets in dit verhaal is gelogen.